Richtlijnen voor het opzetten van een nieuw stamboek (Dutch Version)

Wanneer iemand een nieuw ESF stamboek zou willen starten en daarvoor een voorstel aan de board zou willen doen, verdient het aanbeveling vooraf de richtlijnen daarvoor te raadplegen.

Uitgangspunten

Voorkomen moet worden dat niet zinvolle of genetisch niet kansrijke stamboeken worden opgezet; immers een kansloos stamboek levert uitsluitend frustratie op. Daarom zijn een aantal belangrijke uitgangspunten/voorwaarden geformuleerd. Bedenk dat dit richtlijnen zijn, waar door de board in voorkomende gevallen dus (gemotiveerd) van afgeweken mag en kan worden.

Deze richtlijnen worden hierna weergegeven met daaronder de motivaties.

1. Er dienen voldoende bloedlijnen beschikbaar te zijn. Uitgegaan wordt van een  minimum van 10 bloedlijnen per stamboek; bij voorkeur meer. Een dier uit het wild vormt een bloedlijn voor de stamboekpopulatie.

2. Bij soorten waarvan slechts een beperkt aantal bloedlijnen beschikbaar is, dient het aantal ingeschreven bloedlijnen een redelijk deel van de naar verwachting in Europa aanwezige bloedlijnen te vertegenwoordigen. Er wordt dus standaard een globale schatting van het aantal bloedlijnen in Europa gevraagd.

3. Er dienen meerdere houders ingeschreven te zijn in het stamboek.

4. Alle ingeschreven dieren dienen legaal in het bezit van de houder te zijn.

5. Er dient te worden voorkomen, dat eventuele niet in het stamboek ingeschreven dieren in contact kunnen komen met stamboekdieren.

6. Stamboeken worden in eerste instantie opgezet voor bedreigde en beschermde soorten.

7. Iemand die (co)stamboekmanager wil worden dient 1e- kennis en ervaring met de betreffende diersoort te hebben, 2e -communicatief en coöperatief te zijn ingesteld en 3e- goed met een computer en computerprogramma`s te kunnen werken.


Motivatie

1. Er dienen voldoende bloedlijnen beschikbaar te zijn. Uitgegaan wordt van een minimum van 10 bloedlijnen per (deel)stamboek. Bij voorkeur meer. Een dier uit het wild vormt een bloedlijn voor de stamboekpopulatie.

Binnen de ESF wordt met name gewerkt met lange termijn strategieën. Als minimum basis wordt uitgegaan van 4 generaties. Om 4 generaties zonder inteelt te kunnen realiseren zijn 8 bloedlijnen noodzakelijk. Uit praktische overwegingen (verlies van bloedlijnen) is echter gekozen voor een minimum van 10 bloedlijnen.Indien noodzakelijk kan met dit aantal ook met een iets hogere maar waarschijnlijk nog steeds aanvaardbare inteelt 8 generaties gehaald worden. Maar hier geldt toch hoe meer bloedlijnen hoe beter de ESF doelstellingen kunnen worden bereikt.


2. Bij soorten waarvan slechts een beperkt aantal bloedlijnen beschikbaar is, dient het aantal ingeschreven bloedlijnen een redelijk deel van de naar verwachting in Europa aanwezige bloedlijnen te vertegenwoordigen. Er wordt dus standaard een globale schatting van het aantal bloedlijnen in Europa gevraagd.

Het kan voorkomen dat voor soorten het wenselijke aantal bloedlijnen niet realiseerbaar is en dus al vrij snel inteelt moet worden geaccepteerd. Dit is in de ogen van de ESF alleen dan acceptabel indien er redelijkerwijs binnen Europa ook geen extra bloedlijnen beschikbaar zijn of kunnen komen.Voorkomen moet worden dat door de beperkte beschikbaarheid van bloedlijnen binnen het stamboek inteelt moet worden toegestaan, terwijl dat buiten het stamboek nog niet nodig is; het stamboek zou in zo'n geval dan duidelijk zijn doel voorbij schieten.


3. Er dienen meerdere houders ingeschreven te zijn in het stamboek.

Een volledige stamboekpopulatie bij een houder en dus waarschijnlijk op een locatie is zeer gevoelig voor een calamiteit, zoals uitbraak van ziekten, brand, diefstal, overstromingen, enz. kan de volledige stamboekpopulatie wegvagen.

Ook indien een houder de dieren op meerdere locaties houdt, kan hij voor de verspreiding van ziekten zorgen. Daarnaast heeft een stamboek met slechts een deelnemer geen meerwaarde. De registratie is volledig afhankelijk van dat ene individu en de rapportage dan primair ook voor datzelfde individu. Verder is dit eveneens in strijd met het ESF streven naar een samenwerking van een stamboekmanager en een co- stamboekmanager in het managen van een stamboek. Meer stamboekdeelnemers maken meer kennis en ervaringen mogelijk. Daarom wordt de situatie van maar een houder niet wenselijk geacht.


4. Alle ingeschreven dieren dienen legaal in het bezit van de houder te zijn.

Deze voorwaarde spreekt geheel voor zichzelf. De ESF verwerpt illegale importen van dieren uit het wild en wenst ook een betrouwbare gesprekspartner voor overheidsinstanties en verenigingen en organisaties te blijven.


5. Er dient te worden voorkomen, dat eventuele niet in het stamboek ingeschreven dieren in contact kunnen komen met stamboekdieren.

Essentieel binnen het managen van een stamboek is dat de in het programma ingevoerde informatie volledig en correct is. Dat betekent dat alle potentiële ouders van een nakweekdier, geboren bij de stamboekdeelnemer, op enige wijze ingeschreven dienen te zijn in een stamboek. In dit licht is elke deelnemer aan het stamboek verplicht al zijn dieren van de betreffende soort in te schrijven. Uiteraard is hiervan de bedoeling te voorkomen dat er niet herleidbare nakweek ontstaat.


6. Stamboeken worden in eerste instantie opgezet voor bedreigde en beschermde diersoorten.

Deze richtlijn geeft directe uitvoering aan de doelstellingen van de ESF en hier ligt dan ook de absolute prioriteit. Dat neemt niet weg, dat stamboeken voor niet- bedreigde en niet- beschermde soorten eveneens kunnen worden geaccepteerd. Stamboeken voor soorten, die in zeer grote getale in Europa voorkomen zijn niet wenselijk en in de praktijk niet levensvatbaar.

7. Iemand die (co)stamboekmanager wil worden dient 1e- kennis en ervaring met de betreffende diersoort te hebben, 2e- communicatief en coöperatief te zijn ingesteld en 3e- goed met een computer en computerprogramma`s te kunnen werken.

Van een (co)stamboekmanager wordt een redelijke deskundigheid betreffende de diersoort verwacht. Hij is de spil in het stamboek, die op een coöperatieve en communicatieve manier samenwerkt met de board en de stamboekdeelnemers. Samen met de stamboekdeelnemers brengt de (co)stamboekmanager zijn stamboek op een verantwoord niveau door met name:

- jaarlijks verslag uit te brengen aan de board over het managen van het stamboek,
de stamboekregistratie up-to-date te houden,

- kweekprogramma's op te stellen en uit te voeren om een genetisch verantwoorde populatie van de soort op te bouwen en in stand te houden,

- kennis en ervaring met de stamboeksoort verder te vergroten en met elkaar te delen, en
voorlichting te geven over de stamboeksoort.

De stamboekmanager en de co- stamboekmanager bepalen geheel vrij in onderling overleg wie welk taakonderdeel op zich gaat nemen.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

E-mail Print PDF
Last Updated on Thursday, February 19 2015